Zone Dilbeek

AÄRON

Ter hoogte van het tabernakel in de Sint-Martinuskerk staat, op een voetstuk, vastgemaakt aan de houten wandbekleding, een tweede beeld, dit van Aäron gekleed als priester met wierookvat.

Aäron (de verlichte of lichtbrenger), de drie jaar oudere broer van Mozes was de eerste hogepriester van de Israëlieten en daarmee model stond voor het hele priesterschap.

Aäron was minder belangrijk dan Mozes. Als ze beiden worden genoemd, wordt vrijwel altijd eerst Mozes genoemd. Anders dan bij Mozes spreekt JHWH slechts zelden direct tot Aäron maar meestal via Mozes. We komen hem het eerst tegen in het verhaal over de roeping van Mozes. Aäron moest Mozes bij zijn opdracht om de Israëlieten uit Egypte te leiden ondersteunen door zijn spreekvaardigheid. Gezamenlijk traden Mozes en Aäron op voor de farao van Egypte en toonden JHWH’s superioriteit in het verhaal van de tien plagen. Het was Aäron die in deze verhalen optrad als wonderdoener. Zijn staf werd een slang, die de slangen verslond die de Egyptische priesters uit hun staven toverden. Aansluitend werden met zijn staf de eerste drie plagen opgeroepen. Maar hierna verdween Aäron naar de achtergrond.

Ook in de Sinaïwoestijn stond Aäron naast Mozes. In het verhaal over de slag met de Amalekieten stond hij naast Mozes om zijn armen omhoog te houden in gebed, omdat de Israëlieten alleen sterker zouden zijn zolang Mozes bad (Exodus 17, 12).
Tijdens deze reis wordt Aäron als eerste tot hogepriester van het heiligdom gewijd. Zijn zonen worden tot priester gewijd. Samen met hen is Aäron verantwoordelijk voor de offers en de heilige tent. Latere priesters van het volk van Israël zijn afkomstig uit de stam Levi en de familie van Aäron.

In Exodus 28 kondigde JHWH aan dat Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar priesters werden, hoe hun kleding inclusief gouden borstplaat met de inscriptie “JHWH is heilig” eruit moest zien en hoe hun benoeming gevoerd moest worden (Exodus 29, 1-37). Aäron droeg als hogepriester speciale kledij, waaronder de Efod met de Urim en Tummim waarmee JHWH geraadpleegd kon worden.

We staan even stil bij de kleding:

-Orakeltas: Onderdeel van het ceremoniële gewaad van de hogepriester. Dit was een borstschild met twaalf edelstenen, die de twaalf stammen van Israël vertegenwoordigen. Zo nam de hogepriester symbolisch de twaalf stammen met zich mee wanneer hij het heilige der heiligen betrad.

 

-Efod: Een soort lendenschort die de priesters droegen bij het verrichten van de eredienst. Daarbij hoorde een brede veelkleurige band van met goud doorweven stof.

 

-Hoofddeksel/Tulband: Mannelijke joden hebben de gewoonte bij het gebed een hoofddeksel te dragen.

 

-Urim en tummim: Dit waren stenen orakelvoorwerpen die de hogepriester bewaarde in zijn orakeltas. Als hij in Gods naam een vraag moest beantwoorden dan kon hij met behulp van die stenen met een ‘ja’ of een ‘neen’ antwoorden. Maar die stenen konden ook zwijgen. Hoe dit precies in zijn werk ging, is niet meer bekend.

 

-Efodmantel: Een soort kazuifel met belletjes aan, zodat men hoorde wanneer de priester het heiligdom binnen of buiten ging.

 

-De kleding van een priester mag niet scheuren. Gescheurde kleding is een teken van rouw en past dus niet in het heiligdom.

 

-Klokjes/Belletjes waren wellicht bedoeld om te voorkomen dat de priester onaangekondigd voor God zou verschijnen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Als de Israëlieten bij de berg Sinai zijn, gaat Mozes de berg op voor een ontmoeting met God. Het volk vindt dat het veel te lang duurt voordat Mozes terugkomt. Ze vragen daarom aan Aäron om een god die hen verder door de woestijn kan leiden.
Aäron durft hun verzoek niet te weigeren. Hij geeft de Israëlieten opdracht om hun sieraden in te leveren. Daarvan maakt hij een gouden beeld in de vorm van een stierkalf (Exodus 32, 1-6).
De behoefte aan een idool of afgod is groter dan bezit, wat het gouden kalf tot resultaat had. Aäron probeert erger te voorkomen door razendsnel een altaar voor de Heer te bouwen en een feest te organiseren, zodat dit kalf niet geassocieerd kon worden met de Heer maar het kwaad is al geschied … Afgoden mocht men in Israël niet vereren en ze gaan zo in tegen het eerste gebod van de tien geboden.

De Zegen van Aäron , soms Aäronitische zegen genoemd of priesterlijke zegen is de oudste overgeleverde zegenspreuk in de bijbel Numeri 6, 24-26 “Moge de Heer u zegenen en u behoeden, moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn, moge de Heer zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken”.
Deze prachtige woorden waarmee de priesters ons mogen zegenen staan voor de liefdevolle God die zich volledig wil inzetten voor ons geluk en wat betekent het voor u?

Aäron stierf evenals zijn broer Mozes vóór de Israëlieten het beloofde land Kanaän binnentrokken, omdat hij en zijn broer Gods woord weerspannig waren geweest bij de wateren van Meriba (Num. 20, 24). De eerste hogepriester overleed op de berg Hor. Het hele volk beweende hem dertig dagen lang (Num. 20, 29).
Aäron’s naamdag is op 1 juli.