Beelden in de kerk

Beelden in de kerk

Inleiding

In de beeldende kunst
Op vakantie lopen velen even een kerk binnen. Even kijken naar het gebouw, naar de vaak oude heiligenbeelden en schilderingen; even genieten van de stilte en de koelte, en soms ook een kaarsje opsteken. Een kerk nodigt uit om binnen te gaan. En het is (meestal) nog gratis ook! De katholieke kerk staat bekend om de kunstzinnige uitingen van haar geloof. Soms uitbundig, soms ingetogen: in alle fasen van haar geschiedenis hebben gelovige kunstenaars iets van hun geloof willen uitdrukken. Toch is het helemaal niet vanzelfsprekend dat kunstuitingen zo’n belangrijke plaats hebben in de kerk, want één van de tien geboden van God in de bijbel luidt: ‘Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen …’ (Ex. 20, 4-5). Het verbod uit Exodus roept vragen op bij het gebruik van kunst (afbeeldingen) in de kerk. Dat gebeurde dan ook in de zevende en achtste eeuw, toen het gebruik en vereren van afbeeldingen van Jezus en de heiligen op iconen (Grieks voor ‘beeld’) ter discussie werd gesteld. De tegenstanders van het afbeelden werden de iconoclasten genoemd, de beeldenstormers. Maar veel gelovigen waren het daar niet mee eens. Zij werden de iconodulen genoemd: de beeldenvereerders.

 

 

De Byzantijnse keizerin Irene van Athene (752-803) riep in 787 het Tweede Concilie van Nicea bijeen. Daar werd besloten dat de verering van afbeeldingen is toegestaan, maar niet de ‘aanbidding’ ervan.
De eer die aan God gebracht wordt is, zo leert de kerk, een aanbidding en wordt de ‘cultus latriae’ genoemd; de verering van heiligen wordt de ‘cultus duliae’ genoemd. Maria neemt als moeder van God in de gemeenschap van de heiligen een bijzondere plaats in want haar voorspraak is van bijzondere kracht. In het Latijn spreekt men dan van ‘cultus hyperduliae’ – zeg maar: heel bijzondere verering. We aanbidden de heiligenbeelden niet, maar vereren ze: ze zijn het religieuze aandenken aan hen, die tijdens hun leven op een bijzondere wijze getuigenis van hun geloof hebben afgelegd en die dat vaak als martelaar met de dood hebben bekocht. We aanroepen dus een heilige en smeken om hulp in de hoop dat hij of zij onze zaak bij God zou bepleiten.

 

In de geschiedenis

Omdat de katholieke kerk begon als een beweging binnen het joodse volk en het joodse geloof, was er aanvankelijk weinig verschil tussen de manieren waarop joden en christenen omgingen met kunst. Anders echter dan het jodendom werd de kerk in de eerste vier eeuwen op vele plaatsen vervolgd. In het Romeinse Rijk was het christelijk geloof verboden en was het zelfs gevaarlijk om christen te zijn. Er zijn uit die tijd veel voorbeelden van martelaren: christenen die, ondanks de dreiging van een marteldood, toch vast bleven houden aan hun geloof. Deze martelaren werden geloofshelden en hun daden werden herdacht. Van rond 200 waren er bovendien veel christenen die geen joodse afkomst hadden en waren het bekeerde heidenen: Romeinen, Grieken en mensen uit andere volkeren en culturen. Omdat het gebruik van afbeeldingen in de godsdiensten van deze culturen heel gewoon was, raakte de schroom over het afbeelden van geloofshelden en van Jezus steeds meer op de achtergrond. Er zijn munten gevonden uit deze periode met de afbeelding van de apostelen Petrus en Paulus in Rome.
Vanwege de vervolgingen speelde het leven van de kerk zich in het verborgene af: ondergronds of achter gesloten deuren. Bekend zijn de schilderingen uit de catacomben: ondergrondse gangenstelsels, waar christenen hun doden begroeven en hun martelaren herdachten. Maar ook bovengrondse huiskerken werden beschilderd met afbeeldingen van bijbelse en post-bijbelse geloofshelden.
Nadat het christendom staatsgodsdienst werd van het Romeinse Rijk in 380, kregen kunstuitingen meer ruimte in de kerk. Er werden kerkgebouwen ontworpen, die versierd en gevuld werden met afbeeldingen van geloofshelden en bijbelverhalen.
Omdat God mens werd in Jezus, is het geoorloofd om op een vrijere manier om te gaan met het bijbelse verbod op afbeeldingen. In 692 besloten de bisschoppen op het Concilie van Constantinopel dat ‘Christus onze God, als mens moet worden afgebeeld en niet als lam, zoals vroeger’. God werd mens in Jezus en daarom is Jezus ook het ‘beeld’ van God (Joh. 14, 1-10).

 

 

Een theoloog die veel heeft bijgedragen tot het begrijpen waarom katholieken beelden en afbeeldingen mogen vereren, is Johannes Damascenus (676-749). Hij verwees voor dit vraagstuk naar de incarnatie van Jezus, God die mens geworden is, die zich zichtbaar aan ons heeft laten zien, en daarom ook afbeeldbaar is.
In latere eeuwen speelde de afbeeldingen van Jezus’ leven en andere bijbelse taferelen in kerken ook een belangrijke rol in de geloofscommunicatie, omdat veel gelovigen ongeletterd waren. Door de gebrandschilderde ramen, schilderingen en beeldhouwwerken konden zij toch kennis nemen van het geloofsgoed. Daarnaast hebben kunstuitingen op steeds andere manieren iets uitgedrukt van de gelovige ervaring: ontzag, eerbied enerzijds; ontroering en herkenning anderzijds.

 

 

 

 

 

 

 

 

In de volksverering

In de loop van de tijden zijn er verschillende vormen van patroonschappen gegroeid waarvan de oudste vorm de benoeming van het kerkgebouw naar een bepaalde heilige is.
Dat lag voor de hand als de kerk werd gebouwd op het graf van een heilige zoals de Sint- Pietersbasiliek in Rome gebouwd is op het graf van de heilige Petrus. Soms wijdde men een plaats toe aan een heilige die op die plaats had gewoond en bouwde men er een kerk zoals de Sint-Goedelekathedraal in Brussel.
Toen in de middeleeuwen beroepsgroepen en gilden ontstonden, kozen ook zij een eigen patroonheilige. Indien enigszins mogelijk koos men een heilige die hun beroep had uitgeoefend. Sint Jozef werd patroonheilige van timmerlieden, handwerkers … De evangelist Lukas, van wie Paulus zei dat hij geneesheer was, werd dit voor de artsen en, omdat hij volgens een legende ooit een portret van Maria geschilderd had, werd hij ook de patroonheilige van beeldende kunstenaars.
Een patroonheilige werd ook gekozen als er op de een of andere manier verband kon worden gelegd tussen het beroep en het levensverhaal of de legende.

 

patroonheilige van de slager omdat hij levend gevild werd

 

 

Sint Cecilia van de (kerk)muziek omdat zij, op het moment dat de bruidsmuziek klonk, haar man influisterde maagd te willen blijven omwille van Christus. Vintage illustration of Saint Cecilia a Roman martyr venerated in Catholic, Orthodox and Anglican churches, patron of music and musicians. Ferdinand Keller
Onlangs nog werd Sint Isidorus van Sevilla uitgeroepen tot patroon van het internet: hij was de eerste die in de vroege middeleeuwen een encyclopedie aanlegde waarin nagenoeg alle toenmalige kennis bijeen werd gebracht
De voorspraak van een beschermheilige werd ingeroepen bij ziekte en onheil, vooral waar de medische wetenschap in die tijd machteloos was. Zo riep men de voorspraak in van de heilige Stefanus tegen ziekten die met stenen te maken hadden (gal-, nier- en blaasstenen) want hij werd gestenigd!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zo vond en vindt men bij elke intentie of nood wel een toepasselijke heilige waarvan sommigen door en voor de hele kerkgemeenschap als dusdanig erkend worden.

 

Aangezien duizenden heiligen over de hele wereld worden aanbeden is het niet de bedoeling om hiervan geschiedenis en aanverwante zaken op te noemen.
Wij beperken ons tot de beelden die we in onze kerken tegenkomen: bekende en minder bekende, grote en kleine. Bij een volgend kerkbezoek kan u ze dan aan de hand van de attributen (d.w.z. dat wat afgebeeld staat bij een heilige) herkennen.

 

 

Patroonheiligen van onze kerken:

Ambrosius van Milaan , patroonheilige Sint- Ambrosiuskerk Dilbeek

Gertrudis van Nijvel, patroonheilige Sint- Gertrudiskerk Sint- Gertrudis-Pede