40-dagentijd beleven in de kerk en thuis

40-dagentijd beleven in de kerk en thuis

Veertig dagen thuis vastzitten,
wel even naar de kerk
en dan terug…

 

Thuis zitten, van huis weggaan en naar thuis terugkeren: dat heeft iets. Het is de omschrijving van wat het betekent een ervaring op te doen. Want vanaf het punt waar je bent en staat, vaar je uit naar elders of naar de horizon niet om voor altijd weg te blijven, maar om door wat je er gevonden en beleefd hebt ervaren terug te keren.

Wat is er in de Sint.-Ambrosiuskerk en de Sint.-Martinuskerk te vinden?

 

 

  • Een dunne map voor – en geleidelijk aan ook met – de staties van de kruisweg. In al onze kerken hangen ze er alle veertien op één of andere manier uit- en afgebeeld, maar ze zijn allemaal verschillend. Een keuze maken was geen optie, dus krijg je een andere van elders: de kruisweg van de H.Hartbasiliek in Koekelberg, die ook nog een beetje de onze is, want geschilderd door Norbert De Clercq, één van onze kunstenaars. Behalve kijken naar een kleine of een kleinere kopie ervan, kan je er een lange of een langere tekst bij lezen om je verbeelding en je gedachten op gang te zetten. Wie naast je staat, hoort je dan bijna wanneer je – zelfs in lege stilte – het gebed bidt dat de Heer ons leerde. We beginnen met de eerste statie – of wat had je gedacht? – en minstens om de drie dagen komt er een volgende bij. Wil je het echt goed doen, dan begin je elke dag helemaal opnieuw en duw je door tot de laatst voorgestelde statie….

 

  • Als je even opkijkt, zie je boven de communiebank van de Sint.-Ambrosiuskerk een tekst hangen. De eerste regel ervan herken je wellicht: hij hangt in het portaal van de kerk gevolgd door drie puntjes…. Welnu, de invulling van die drie puntjes lees je op die grote poster of op het kleine stukje paars papier (paars, want dat is de kleur van de vasten). Het is een gebed, geschreven door niemand minder dan de heilige Thomas van Aquino. Die kon daar wat van. Hij was trouwens de grootste godgeleerde aller tijden. Het is geen leestekst, het is een gebedstekst. Je mag het meenemen, de regels doorstrepen die je niet aanspreken en de regels onderlijnen die dat wel doen.

 

  • Op een blad van ‘normaal’ formaat staat één van de lezingen, die we ‘normaal’ (d.w.z. zonder corona) op de zondagen van de vasten lezen, met op de keerzijde ervan enkele gedachten bij die tekst. Dat blad mag je ook meenemen of je kan ze hier elke zondag lezen.

 

 

De Sint.-Ambrosiuskerk (Dilbeek centrum) is alle dagen open van zonsopgang tot zonsondergang en  de Sint.-Martinuskerk (Sint-Martens-Bodegem) is open op zondag  van 10.00 u. tot 18.00 u. Hou rekening met de coronamaatregelen: de minimumafstand van anderhalve meter moet gerespecteerd worden en bij het betreden van het kerkgebouw is een mondmasker verplicht.

 

 

   

 

           

 

 

21 februari: Eerste zondag van de vasten 

Eerste lezing: Gen, 9, 8-15
Evangelie: Marcus 1, 12-15

 

De lezingen van de eucharistievieringen in de vasten brengen ons enkele hoogtepunten uit de geschiedenis van ons geloof. Het eerste waar we van horen is… de zondvloed: als ‘hoogtepunt’ kan dat tellen. Maar goed, in de lezing van deze zondag is alles voorbij: hoe zwaar het water ook neerkwam uit de wolken en hoe wild het ook opstuwde uit de grond, de Heer zet zijn regenboog over de aarde in de wolken. Een regenboog: ijl, maar misschien toch grijpbaar; ver, maar misschien toch haalbaar; hemelhoog, maar misschien toch bereikbaar;…. Zo gezien zet dat verhaal ons op scherp om dan in het evangelie te lezen over de woestijnervaring van Jezus: een grote leegte, maar niemand die komt storen; groot wild, maar geen ‘struggle for life’ (vert. strijd om het bestaan); groot tekort aan alles, maar een fantastische decor;….

 

Van de zondvloed wordt gezegd dat die veertig dagen en veertig nachten duurde en het verblijf van Jezus duurde eveneens veertig dagen (en ook veertig nachten: al worden die niet vermeld, toch is het aannemelijk dat Jezus niet naar huis ging slapen….). Het ene en het andere duurde en bleef duren – een duur, die op zichzelf al moeilijk vol te houden was bij zoverre dat het getal 40 symbool werd van beproeving. Van een toestand, die maar blijft duren en waaraan geen eind schijnt te komen, weten wij nu stilaan ook alles door de coronacrisis. Die blijft duren en, zoals voortdurend gezegd en geschreven wordt: we hebben nood aan perspectief. Welnu, in de vasten hebben we daar ook behoefte aan. Dat perspectief kan zijn dat we eindelijk terugkeren naar de orde van de dag, naar het normale leven, naar de oude gewoonten, maar dat is te min.

 

Zou het niet geweldig zijn iets met al dat vasten te bereiken? Een nieuwe, goede gewoonte?
Een voorbeeld. Oefen in de vasten om op één moment van de dag te bidden – zeg: bid een Onze vader vlak na de nieuwsberichten op TV. Meer moet dat niet zijn.
Probeer het uit in de vasten, doe het in de vasten en na de vasten kan je het!

 

We luisteren naar het lied: Toekomst vol van hoop door Chr. koor Jigdaljahu en Sela

 

28 februari: Tweede zondag van de vasten
Eerste lezing: Gen. 22,1-18
Tweede lezing: Rom. 31b-34
Evangelie Mc. 9,2-10

De eerste lezing van de tweede zondag van de vasten komt uit het 22e hoofdstuk van het boek Genesis de verzen 1 en 2, dan het begin van vers 9 en verder de verzen 10 tot en met 18 behalve vers 14. Dat is een heel zoekprentje en… ’t is voor niets nodig: het geheel is het mooie, pittoreske verhaal van wat bekend staat als het ‘Offer van Isaäk’. Maak het misschien eerst wat nog mooier dan het is en lees de naam Isaäk zo juist mogelijk: met een zachte s en tweemaal (want door het trema) de a. Het wordt dan zoiets als Issa-ak. Vind je dat een beetje belachelijk? Wel, die naam betekent: ‘God zwanst’ en zo verstond zijn moeder Sarah het: haar zwangerschap was voor haar eerst een grap.

 

Grote mensen als we zijn(!), kunnen we met dat verhaal doen wat kinderen met een sprookje doen: ze halen eruit een sprookje wat ze op dat moment aankunnen en nodig hebben (zodanig dat bijvoorbeeld uit het sprookje van Roodkapje niet zo nodig het opeten door de boze wolf van haar grootmoeder moet weggelaten worden omdat het te gruwelijk zou zijn of ‘toch niet echt kan’: wat kinderen er niet mee aan kunnen, laten ze gewoon weg), zo haalt elke bijbellezer uit de bijbelverhalen wat hij of zij op dat moment aankan of nodig heeft. Iemands godsbesef groeit door al wat er kan bij gedacht worden – zowel wat er nu niet als wat er misschien een volgende keer wel bij gedacht wordt. Eigenlijk zou iedere lezer de vrijheid moet hebben (of krijgen) dit en andere verhalen zo te lezen of – beter nog – te beluisteren. Wie zegt wat hij of zij er dan uithaalt, hindert de vrijheid van een ander. Kijk maar wat er gebeurt als u leest wat ik er uit haal…

 

Ik vroeg me plots af hoe oud Isaäk kan geweest zijn op dat moment. Ik herlas het verhaal (nog eens!) helemaal, maar de ouderdom van Isaäk komt niet ter sprake. Ik zocht het op, maar vond er niets over. Ik kan dan dikwijls terecht bij mijn vriend rabbijn. Hij heeft niet altijd een antwoord op mijn vragen (je weet wel: ‘Eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden’), maar nu wist hij het: Isaäk was 37 jaar oud. Zevendertig? Mijn rabbijn wist nog meer. Hij legde me uit dat dit verhaal (of juister: deze sage) geen argumenten wil aandragen tegen het offeren van kinderen, maar de betekenis van een offer wil meegeven. Isaäk was geen kind meer, hij wist wat er te gebeuren stond en probeerde niet eraan te ontsnappen; hij was niet alleen bereid sterven, maar keek er ook naar uit, want hij was de uitverkorene! Zoals al wat geofferd wordt zijn hoogste waarde krijgt uitgerekend door aan God te worden opgedragen, zo zou hij als mens in waarde stijgen – ja zelfs de top bereiken. Maar ‘er kwam iets tussen’: het offer vond geen plaats en Isaäk zal diep ontgoocheld geweest zijn, want een andere – die beter was – werd uitverkoren. Mijn rabbijn kon niet gissen, weten of zeggen wie er dan wel voor in aanmerking kwam of komt. Dat kon ik hem dan zeggen: de plaats van Isaäk werd ingenomen door Jezus van Nazareth. Hoe hoog die daardoor verheven werd, is met geen pen te beschrijven. Een tip van die sluier werd opgelicht bij de gedaanteverandering. We lezen erover in het evangelie van deze zondag.

 

Hopelijk belet ik je nu niet nog iets anders uit dit verhaal te halen….

 

7 maart: Derde zondag van de vasten
Eerste lezing: Ex. 20, 1-17
Tweede lezing: 1 Kor. 1, 22-25
Evangelie: Joh. 2, 13-25

Als er in het Oude Testament iets staat waarover we allemaal wel iets kunnen zeggen dan is het over die keer dat Mozes van God de Tien Geboden ontving op de berg Sinaï.

Het verhaal wordt in de bijbel twee keer gedaan: één keer in het boek Deuteronomium 5, 6-21 – maar daar gaat het nu even niet over – en één keer in het boek Exodus 20, 1-17 – het verhaal dat voor de eerste lezing op deze derde zondag van de vasten gekozen is. Sommige mensen zullen die tien geboden zonder te haperen nog alle tien kunnen opsommen. Voor alle anderen zijn ze hier nog eens:

                  

In de lezing van vandaag worden twaalf langere verzen besteed aan de drie eerste geboden over de relatie tot God en in zes kortere verzen worden alle andere geboden over de relatie tussen mensen onderling bijeengeveegd en met weinig of geen uitleg gewoon opgesomd. Dat geeft te denken. Het is evident dat die zeven geboden over hoe mensen met elkaar moeten omgaan, hoog nodig waren: pas uit Egypte vertrokken (gevlucht? verdreven? of het gewoon afgetrapt?) was wat later het joodse volk zou worden eerder een bende van allerlei aard en pluimage: dieven en hoeren, bedriegers en moordenaars, krachtpatsers en zwakkelingen, gespuis en crapuul,… en ja, ook wel hier en daar enkele brave mensen, die het goed meenden. Dat volkje was wat dat betreft geen uitzondering: alle mensen waren (en zijn?) zo, maar in min of meer geordende maatschappijen bestonden (en bestaan) er wetten, regels en voorschriften. De uitdrukking ‘wetten van Meden en Perzen’ verwijst daar nog naar: duidelijk en klaar geformuleerd, op perkament geschreven en op steen gegrift, gecontroleerd en desnoods bestraft want anders kwam daar niets van in huis.

Wie de Tien Geboden van het joodse volk vergelijkt met de wetten van andere volkeren en slechts vindt dat ze ‘meer van hetzelfde’ zijn, maar dan aangepast aan de joden, mist de essentie – de essentie, die in de drie eerste geboden verwoord wordt.
Daar staat niet dat de geboden door God gegeven en opgelegd zijn of dat God de garant zou zijn van hun waarde en betekenis, maar daar staat dat alleen wie God bemint en eert de zeven andere geboden kan onderhouden en dat de facto ook doet. Tot het uiterste doorgedacht betekent dit dat iemand die God bemint, al die andere geboden (en verboden) niet eens moet voorgezegd of voorgesteld krijgen: hij of zij beleeft ze sowieso, zonder moeite en zonder er bij na te denken. En omgekeerd betekent dit dat wie er moeite mee heeft of die geboden niet onderhoudt, niet gelooft en God ook niet lief heeft.

 

14 maart: Vierde zondag van de vasten
Eerste lezing: 2 Kron. 36,14-23
Tweede lezing: Ef. 2,4-10
Evangelie: Joh. 3, 14-21

Zoals geweten hebben de eerste lezingen van de zondag in de vasten het over de hoogtepunten uit de geschiedenis van het Joodse volk. Op de vierde zondag van de vasten is dat de Babylonische ballingschap: van een hoogtepunt gesproken ! Dat was het in de beleving van de mensen, die het meemaakten, zeker niet: het was een absoluut dieptepunt. Alles begon in 598 v.Chr. toen Nebukadnessar vele leden van de elite uit de provincie Juda in ballingschap liet wegvoeren wegens een opstand in een poging tot autonomie. Omdat het verzet bleef duren, belegerde hij vanaf 587 v.Chr. Jeruzalem en vluchtte een deel van de bevolking al naar Egypte. Toen hij dan in 586 v.Chr. Jeruzalem veroverde en de stad verwoestte, werd de rest van de bevolking weggevoerd naar Babylon. Dat is de voorstelling, die de bijbel geeft van het ontstaan van de zgn. diaspora (met de klemtoon op de eerste a…): een woord, dat ‘verstrooiing’ of ‘uitzaaiing’ betekent en zowel duidt op het verstrooien zelf als op de streken waarin de verstrooide Joden zijn gaan wonen. Zowel voor als na de gebeurtenissen aan het begin van de zesde eeuw voor onze tijdrekening hadden en hebben vele joden zich zowat in de hele toen en nu ‘bekende’ wereld gevestigd. Ze woonden er in afgesloten nederzettingen, zodat ze hun tradities en religie binnen een anders gelovige omgeving konden en kunnen bewaren.

 

Het hele verhaal wordt in de bijbel twee keer gedaan.

 

1. De eerste keer in 2 Kon. 24, 18-25,30 geeft een uitgebreid relaas van de feiten op de manier waarop men toen aan geschiedschrijving deed. Er wordt weinig of geen uitleg bij gegeven.
2. De tweede keer in de laatste hoofdstukken van het tweede boek Kronieken (waaruit de lezing van deze zondag genomen is) geeft minder feitenmateriaal, maar de theologische betekenis wordt duidelijk en uitvoerig in het licht gesteld, geleid door de gedachten van de profeet Jeremia, die tot tweemaal toe met name genoemd wordt. De ballingschap wordt er gezien als een straf. Voor welke zonde of – meervoud – voor welke zonden? Woordelijk staat er dat het land zijn voorgeschreven sabbat- en jubeljaren niet gekregen heeft en dus toe was een rustperiode. Dat lijkt onzin, maar de sabbat – of dat nu een dag in de week is of een heel jaar na een reeks van zes andere jaren – was en is een tijd om God te eren. Om God te eren had het joodse volk in Babylon plots alle tijd: de dingen, die hen tot dan toe bezig hielden, waren hen afgenomen: hun steden en vooral Jeruzalem met in het centrum de tempel, het land met het paleis en alle andere symbolen van nationale trots, macht en grootheid,… Nu kregen vergeten waarden weer een kans: in Babylon was iedereen weer gelijk en er was ruimte voor solidariteit, oude verhalen werden opnieuw verteld en de thora, de wet, de tegen geboden opnieuw beleefd. Kortom, het werd een periode van bezinning en geestelijk verdieping, waaruit het joodse volk vernieuwd en herboren is opgestaan. Woordelijk staat het er zo: Cyrus, de koning van Perzië, liet in heel zijn koninkrijk de volgende boodschap afkondigen: dat allen die tot het volk des Heren behoren onder de hoede van de Heer, hun God, terugkeren naar Jeruzalem om voor Hem een tempel te bouwen. In de diepste duisternis van de geschiedenis scheen opnieuw licht: God wil niet de ondergang, maar de redding van zijn volk. Er is een parallel te trekken met onze tijd: in deze coronacrisis wil God onze ondergang niet, maar heil en redding voor ons allen, voor zijn volk.

 

21 maart: Vijfde zondag van de vasten
Eerste lezing: Jer. 31, 31-34
Tweede lezing: Hebr. 5, 7-9
Evangelie: Joh. 12,20-33

 

De eerste lezing komt uit de laatste hoofdstukken van het werk van de profeet Jeremia. Hij zag de Babylonische dreiging en voorzag de ondergang van het koninkrijk Juda. Wat hij zag, dat zag iedereen die een beetje de toenmalige actualiteit volgde. Kon die dreiging gekeerd en de ondergang afgewend worden? Daarover waren de meningen verdeeld natuurlijk, die naast kleinere verschillen samen te brengen zijn in twee groepen: ofwel doe je toegevingen aan de Babyloniërs ofwel zoek je steun bij naburige volkeren en naties.

 

Jeremia – je bent profeet van de Allerhoogste of je bent het niet – had nog een derde mening, maar stond er mee alleen. Het was zijn overtuiging dat toegevingen doen aan de Babyloniërs alleen maar boter aan de galg zouden zijn (een niet-aanvalspact bijvoorbeeld) en dat een coalitie met andere volkeren en naties sluiten (een verdragsorganisatie voor Klein- en Midden-Azië bijvoorbeeld) om samen sterk te staan alleen maar olie op het vuur zou gooien. Voor Jeremia zou alleen een nieuw verbond met Jahweh de redding brengen – een redding, die zich situeerde op een totaal ander niveau. Het ‘oude’ verbond was destijds op Sinaï gesloten tussen Jahweh en het volk door bemiddeling van Mozes. Daar was nog altijd niets mis mee. Jahweh had zich bij de Sinaï echt niet vergist en het oude verbond moest niet afgeschaft worden om het door iets beters te vervangen: de woorden, die Hij toen gesproken had, bleven onverminderd van kracht. Aan versoepelingen moest niet gedacht worden, kon niet gedacht worden. Maar wat bleek? Het volk was gewoon niet in staat, niet bij machte om trouw te blijven aan zijn engagement hoe hard het zich daarvoor ook inspande en hoe nauwgezet het ook de wetten probeerde na te leven. Met onwaarschijnlijk veel poëtisch talent en met evenveel gelovig inzicht schildert Jeremia dat nieuw verbond. De woorden van het Sinaï-verbond waren neergeschreven op stenen tafels en daarmee was alles gezegd: het verbond was een uiterlijk gegeven – m.a.w. je kon zonder en wilde je er toch aan gehoorzamen dan kon dat zonder er met je hart bij te zijn. ‘Hun mond hebben ze vol van U, maar ze dragen U niet in hun hart’ (Jer. 12,2) bad Jeremia denkend aan zijn volk. Het lijkt erop alsof hij Jahweh daarmee de woorden in de mond legde, want in de eerste lezing van deze zondag staat: ‘Ik (Jahweh dus – nvdr) leg mijn wet in hun binnenste; ik grif ze in hun hart’ (Jer.31, 33). Welnu, wie zou denken dat dat aanvaard werd, heeft het mis: niet iedereen wilde de wet in zijn of haar ‘binnenste’, want dan zou je niet langer vrij zijn om te doen wat je wil en kan. Het was ermee zoals nu met het vaccin tegen covid-19: blijf op afstand (ook van wie de vaccinatie promoot), was je handen (liefst in onschuld), draag een masker (zoals waar en wanneer je iets te verbergen hebt),…

 

Nergens in het Oude Testament is nog ooit sprake geweest van dat nieuwe verbond: de vijand won en Jeremia zweeg. Het duurde tot Jezus de beker met wijn nam, de zegen uitsprak en zei: ‘Neem deze beker en drink er allen uit, want dit is de beker van het nieuwe verbond…’ Alleen de Essenen van Qumran noemden zichzelf ‘leden van het nieuw verbond in het land van Damascus’. Maar het waren christenen, die dat nieuwe verbond sloten (getuige daarvan in 1 Kor.11,25 en Hebr. 8,8-12). Ze waren nooit talrijk: nieuw denken en anders doen – niet ‘iets’ nieuw en niet ‘een beetje’ anders, maar helemaal veronderstelt immers dat men zich ontdoet van al wat men tot dan toe dacht en dat men ophoudt ook maar iets uit of voor zichzelf te willen. Dat doe je alleen voor Hem als je die bovenal bemint, dat doe je alleen als je Hem helemaal gelooft, dat doe je alleen als je weet dat Hij alles ten goede keert.

 

Dr. L.Cauwenbergh,
zonepastoor

 

Vanaf Palmzondag verschijnen tekst, foto’s en muziek bij Goede Week